DETAIL: Zájmenná pøíslovce (voornaamwoordelijke bijwoorden)


Karelsuniversiteit Praag

Het voornaamwoordelijke bijwoord

Studente: Petra Duhajská

Jaar: Tweede

Bestellers: Prof. Dr. hab. Jan Pekelder / PhDr. Zdenka Hrnèíøová

INLEIDING

De voornaamwoordelijke bijwoorden zijn heel gewoonlijk gebruikt in het Nederlands, maar het is soms toch niet mogelijk eenduidig te bepalen wanneer kan de spreker er gebruiken, wanneer is het nodig, wanneer kan hij de delen van een voornaamwoordelijk bijwoord scheiden en wanneer niet. Eerst zullen wij een beknopt overzicht van mogelijkheden van de vorming van de voornaamwoordelijke bijwoorden aanvoeren, daarna zullen wij op hun functie concentreren en in het laatste gedeelte van het eerste deel (A) gaan wij proberen de gebruikregels van de voornaamwoordelijke bijwoorden duidelijk te bepalen.

In het tweede deel (B) van dit proefwerk volgen praktische oefeningen.

A

VORMING

Voornaamwoordelijke bijwoorden worden gevormd van een van de woorden er (ook d'r of t'r in spreektaal), daar, hier, waar, ergens, nergens, overal en van een voorzetselbijwoord; bijv.: daarlangs, ernaar, waarvandaan e.d. Zij hebben eigenlijk altijd als „dubbelganger“ een constructie waarin de voorzetselbijwoord door een voorzetsel vervangen is en de woorden er, daar, hier etc. als bijwoordelijke bepaling (van plaats) fungeren, eventueel zijn zij vervangen door een voornaamwoord (dus langs daar, naar hem, vanwaar e.d.).

Erg simpelweg kunnen wij de voornaamwoordelijke bijwoorden in twee groepen splitsen: de voornaamwoordelijke bijwoorden waarin het eerste deel (er, daar, hier...) de bijwoordelijke bepaling van plaats vervangt; en de tweede goep die bevat het merendeel van de voornaamwoordelijke bijwoorden - die met de eerste deel in plaats van een voornaamwoord. Wij kunnen splitsen de eerste groep verder volgens het type van de gebruikt voorzetsel (richtingaanduiding: langs, naar, van - hierlangs, ernaar, waarvandaan; plaatsaanduiding - waarnaast, hierboven). De tweede groep kan gesplitst worden volgens de type van het vervangen voornaamwoord (persoonlijke voornaamwoordelijke bijwoorden: met hem - ermee; aanwijzende: tegen dat - ertegen; vragende: uit wat - waaruit; betrekkelijke: naar welk - waarheen; onbepaalde: op niets - nergens op, uit alles - overal uit.)

Sommige voorzetsels blijven in dezelfde vorm als een deel van voornaamwoordelijke bijwoorden (op, naast, langs e.d.). De voorzetsels met en tot komen in voornaamwoordelijke bijwoorden voor als -mee en -toe. Als een voornaamwoordelijk bijwoord wijst de richting aan, hebben de voorzetsels naar en van de vorm -heen/-naartoe, respectievelijk -af/-vanaf (springen van een boom - springen eraf); in andere gevallen blijven zij in dezelfde vorm (luisteren naar muziek - luisteren ernaar).

Sommige voorzetsels, vooral formeel of vakkundig, kunnen niet gebruikt worden voor de vorming van voornaamwoordelijke bijwoorden, bijv.: aangaande , behoudens, betreffende, contra, gedurende, gezien, ingevolge, inzake, jegens, krachtens, luidens, namens, ondanks, overeenkomstig, per, qua, sedert, sinds, tijdens, via, vanwege, volgens, wegens. In deze gevallen gebruiken wij in plaats van voornaamwoordelijke bijwoorden de combinatie van een voorzetsel en een voornaamwoord (volgens welke, namens wie, ondanks alles).

Voornaamwoordelijke bijwoorden met de voorzetsel zonder zijn correct, hoewel sommige sprekers er liever ontlopen en de combinatie voorzetsel+voornaamwoord verkiezen.

FUNCTIES

Net zoals voornaamwoorden hebben de voornaamwoordelijke bijwoorden de verwijzende functie. (Dat geldt niet als het de vaste verbindingen betreft, bijv.: Nu ben je erbij.)

Als een zinsdeel (of een deel ervan) kunnen de voornaamwoordelijke bijwoorden hebben een fuctie van:

  1. bijwoordelijke bepaling (Waar zou ik het mee schrijven?) - in deze functie kan een voornaamwoordelijk bijwoord optreden als een deel van een door met ingeleide woordverbinding; in dit geval wordt een voornaamwoordelijk bijwoord gebruikt, als deze constructie beschijft niet het verband persoon-kledingstuk (Wil je die thee met melk erin? - maar: Dat meisje met de rode rok op.)

  2. meewerkend voorwerp (De plaats waaraan ik denk, is mooi.)

  3. voorzetselvoorwerp (Waar luister je naar?)

  4. nabepaling van een substantief of een gelijkwaardige zinsdeel (Het voordeel ervan is snelheid.)

Een speciale positie hebben de onbepaalde voornaamwoordelijke bijwoorden, want zij - in tegestelling tot andere voornaamwoordelijke bijwoorden - kunnen niet als een zinsdeel beschouwd worden (zij kunnen niet in het begin van een zin staan, bijv.: Daaraan moet ik nu denken. - maar: Overal kan ik niet aan denken. - nooit: Overal aan kan ik niet denken)

GEBRUIK

Persoonlijke, aanwijzende, vragende en betrekkelijke voornaamwoordelijke bijwoorden gebruiken wij om naar dingen, planten en dieren te vervangen. Zij worden gebruikt ook om naar personen te vervangen, maar alleen informeel - in spreektaal (alleen op het begin van een telefoongesprek is vervanging naar een persoon door een voornaamwoordelijk bijwoord mogelijk, niet informeel).

Het gebruik van een voornaamwoordelijk bijwoord is

  • verplicht: in plaats van een voorzetsel + het (ernaar in plaats van naar het); als wij verwijzen naar een hele zin of naar een ingesloten antecedent; en als voorlopig voorzetselvoorwerp (Zij sprak erover dat zij zware kinderjaren had.).

  • mogelijk: in plaats van een voorzetsel en (n)iets/alles; als bepaling van plaats of tijd, als het betreft eerder een verband tussen twee zelfstandigheden dan een situering (in dat geval alleen een bijwoord van plaats, resp. tijd wordt gebruikt) - in deze gevallen ligt dat aan context, daarom kan beter zijn alleen een bijwoord gebruiken (dat is mogelijk in beide gevallen).

  • uitgesloten: als een voornaamwoord met een nabepaling verbonden is (met iets leuks); wanneer een voorzetselconstructie zelf een ingesloten antecedent van een bijzin bevat (Denk niet aan wat hij je zei.); in plaats van constructies als voor/over een paar dagen; in sommige gevallen van richtingsaanduiding (bijv. Waar kom jij vandaan? - niet: Vanwaar kom jij? - regionaal, formeel)

Het gebruik van voornaamwoordelijke bijwoorden met beklemtoonde voornaamwoorden is gewoon (dáárlangs, wáármee).

SCHEIDBAARHEID

De afzonderlijke delen van voornaamwoordelijke bijwoorden kunnen in een zin gesplitst worden door andere woorden, zonder dat de betekenis van de zin verandert (meestal). De stijl verandert erdoor hoor. De gesplitste vorm is gewoonlijk in de spreektaal, de ongeslitste vorm komt vooral in schrijftaal en regionaal voor (met name in BelgiÍ is de ongesplitste vorm gewoner).

Er bestaan gevallen, wanneer de splitsing de enige (of tenminste gewoner) variante is: de persoonlijke voornaamwoordelijke bijwoorden met er- (Ik kan er niet goed door zien. - maar dit is mogelijk: Daardoor kan ik niet goed zien.); de vragende voornaamwoordelijke bijwoorden met de tweede deel naartoe, heen, langs, vandaan (Waar ga je naartoe?); de onbepaalde voornaamwoordelijke bijwoorden.

De splitsing is uitgesloten als de voornaamwoordelijk bijwoord heeft de functie van een bijwoordelijke bepaling (Het regende; daarom bleven we thuis.); en ook voor vragende waarom.

B

OEFENINGEN

1. Maak de vragen met voornaamwoordelijke bijwoorden:

bijv.: Elena komt van Rusland. - Waar komt Elena vandaan?

  1. Ik schrijf met een vulpen. (Waar schrijf je mee?)

  2. De bomen staan om de vijver heen. (Waar staan de bomen omheen?)

  3. A: Met Petra. - B: Sorry, ... ? (wáármee spreek ik?)

  4. Hij sprak over zijn nieuwe auto de hele avond. (Waaover sprak hij?)

2. Schrijf deze zinnen over met behulp van voornaamwoordelijke bijwoorden:

bijv.: Dat slaat op niets. - Dat slaat nergens op.

  1. Zij ging naar school. (Zij ging erheen/ernaartoe.)

  2. Kom van die boom! (Kom eraf/daaraf.)

  3. Ik luister graag naar klassieke muziek. (Ik luister er graag naar.)

  4. Ik wil dat met mijn zakgeld betalen. (Ik wil het ermee betalen.)

  5. De resultaat van mijn luiheid waren slechte studieresultaten. (De resultaat ervan waren slechte studieresultaten.)

  6. Ze hadden op het slechte weer niet gerekend. (Ze hadden er niet op gerekend.)

  7. Hij wilde naar water gaan, maar het was te koud. (Hij wilde ernaartoe gaan, maar het was te koud.)

  8. Dat blijkt uit alles. (Dat blijkt overal uit.)

3. Onderstreep de voornaamwoordelijke bijwoorden in de volgende tekst:

Hoeveel pseudoniemen Arnon Grunberg (1971) ook mag aannemen, herkenbaar zal hij altijd blijven, want zijn stijl is onverwisselbaar als een irisscan. De springerige denktrant. De korte zinnen. De herhalingen daarvan vooral, met komisch gevolg, en meest nog wel de onbehagelijke leegte die daar ogenblikkelijk op volgt. Geen schrijver die een zin zo peilloos in het niets kan laten bungelen, heel even, als een voorbode van het zwarte gat waarin de dromen van zijn personages straks zullen verdwijnen. En al helemaal geen schrijver die dat kan alsof het niet de minste moeite kost en stijl geen kunst is maar natuur. Wat niet betekent dat Grunberg ook meteen een goede schrijver was. [...] Er zit alleen een adder onder het gras. Want Mehlman mag zijn rol nog zo goed spelen en na woelige verwikkelingen waarin hij zijn greep op het spel dreigt te verliezen zelfs tot definitieve winnaar uitgroeien, de keerzij is dat alles in zijn leven spel wordt. Niets vertegenwoordigt nog een waarde, hij is een `verramsjte man', en zijn verzinsels plaatsen hem zo ver buiten de werkelijkheid dat hij die alleen nog voelt door een gemis eraan. Fantoompijn. Om hem heen is leegte.

4. Kies de correcte zinnen (geen of meer varianten zijn mogelijk):

  1. Ik wil alleen koffie met suiker erin. - Ik wil alleen koffie met suiker in.

  2. Onze kinderen zijn die met de rode hoedjes erop. - Onze kinderen zijn die met de rode hoedjes op.

  3. Toen zij bij de water kwamen, dook hij het meteen in. - Toen zij bij de water kwamen, dook hij er meteen in.

  4. Dat is een vriend waarop je kunt rekenen. - Dat is een vriend op wie je kunt rekenen.

  5. Zij luisterde naar iets moois. - Zij luisterde ergens moois naar. - Zij luisterde ergens moois naartoe.

  6. Ik werd er opgewonden van. - Ik werd daarvan opgewonden. - Ik werd overal van opgewonden. - Ik werd overal opgewonden van.

  7. Over dat kan zij erg kwaaad worden. - Daarover kan zij erg kwaad worden. - Ze kan erover erg kwaad worden. - Ze kan er erg kwaad over worden.

5. Welke voornaamwoordelijke bijwoorden kunnen nooit als één woord geschreven worden? Schrijf tenminste drie voorbeelden.

(de onbedaaplde voornaamwoordelijke bijwoorden; de presoonlijke voornaamwoordelijke bijwoorden met onbeklemtoonde er-; de vragende voornaamwoordelijke bijwoorden met naartoe, heen, langs of vandaan als tweede lid; de voornaamwoordelijke bijwoorden in de fuctie van bijwoordelijke bepaling; het vragende waarom)

BIBLIOGRAFIE

Algemene Nederlandse Spraakkunst - http://www.let.ru.nl/ans/

Goedkoop, Hans: De zinnen bungelen in het niets, NRC Handelsblad, 5.7.2002

Dit proefwerk is begrijpelijkerwijs vanwege de omvang beknopt - voor bijzonderheden en meer voorbeelden zie Algemene Nederlandse Spraakkunst - http://www.let.ru.nl/ans/.

Voor meer voorbeelden zie Algemene Nederlandse Spraakkunst - http://www.let.ru.nl/ans/.

Goedkoop, Hans: De zinnen bungelen in het niets, NRC Handelsblad, 5.7.2002.

Zpìt

 
logo horoskopy
logo humor
logo sms
logo nejhry
logo tri65dni
logo tvp
Seminárky, referáty, skripta, mat. otázky Studijní materiály
Seminárky, referáty, skripta, mat. otázky
    Pøihlášení
    Registrace


    Vzhledy:
    Vlastni
    Ètvrtek 1. 12. 2022 Svátek má Iva
    Vyhrávej v casino.cz nebo na vyherni-automaty.cz   Prodávej s Pla-Mobilem.cz